Stichting Koekeloere
Stichting KoekeloereNationaal Park De MeinwegMeinweg Actueel Flora en FaunaOnderzoek, Project en ActiviteitMeinweg Ecotop 2012Meinweg fotoboekDownloads
Nationaal Park De Meinweg
Insecten / Insecta
Paddenstoelen / Fungi
Planten / Plantae
Reptielen en Amfibieƫn
Vissen
Vogels
Weekdieren / Mollusca
Zoogdieren / Mammalia
Insecten / Insecta
De groep van insecten is op de Meinweg het best vertegenwoordigd. Er zijn 2389 soorten beschreven verdeeld over vele soortgroepen. De volledige lijsten vindt u het rapport SK2008/02.
 
De volgende groepen worden kort besproken:
Arachnida - Spinachtigen
Coleoptera - Kevers
Hemiptera  - Wantsen, cicaden, bladluizen en schildluizen
Hymenoptera- Vliesvleugeligen
Lepidoptera - Vlinders
Mecoptera  - Schorpioenvliegen
Odonata  - Libellen
Orthoptera  - Sprinkhanen
Planipennia  - Gaasvliegen of Netvleugeligen
Thysanoptera - Tripsen
 

Teksten bewerkt naar info www.soortenbank.nl / oktober 2008

Arachnida -  Spinachtigen - SK2008/02 blz 9-11

De spinachtigen (Arachnida) vormen een klasse van de geleedpotigen met als de bekendste groep de echte spinnen. Ze hebben 4 paar poten en meestal een in tweeën gedeeld lichaam. De lichaamslengte van spinachtigen varieert van kleiner dan 1 millimeter (mijten en teken) tot 18 centimeter Wespenspin vr. Meinweg Aug. 2008 / foto E. van Asseldonk(vogelspinnen). De mannetjes zijn meestal kleiner dan de vrouwtjes.

Op de Meinweg zijn tot op heden 21 soorten spinachtigen vastgesteld. Een grote en opvallende spin is de Wespenspin. De vrouwtjes van deze spin maken een opvallend web met centraal een zizagpatroon. De spin kan overal op de Meinweg worden aangetroffen. 

 

Terug

Coleoptera - Kevers - SK2008/02 blz 11-34

De kevers vormen een zeer soortenrijke orde, die in 4 onderordes uiteen valt. Kevers zijn goed te herkennen aan hun voorvleugels, die zich als taaie en hoornachtige dekschilden hebben ontwikkeld. Gewoonlijk liggen ze plat over het achterlijf waarbij ze elkaar zonder overlap precies in het midden raken. De achtervleugels worden in rust onder de dekschilden opgeborgen en zijn vliezig, meestal transparant. Alle kevers en hun larven hebben bijtende monddelen. Kevers komen in de meest uiteenlopende leefgebieden voor op het land, onderaards, in (dood) hout en onder schors, in paddenstoelen, bij oevers en in en op het water. Er zijn o.a. rovers, aaseters, afvaleters, planteneters, stuifmeeleters, houteters, schimmeleters en parasitair levende kevers.

Op de Meinweg zijn tot op heden 501 soorten kevers vastgesteld.

Terug

Hemiptera - Wantsen, cicaden, bladluizen en schildluizen - SK2008/02 blz 42-49

De Wantsen worden vaak samen met de cicaden en plantenluizen in een grote (super)orde (Hemiptera) van snavelinsecten geplaatst. De snavelinsecten worden alle gekenmerkt door hun stekende en zuigende monddelen. Bij wantsen is de zuigsnuit duidelijk voor op de kop ingeplant en kan bij het zoeken of het betasten van voedsel geheel naar voren worden gestoken. In rust wordt de zuigsnuit meestal gekromd naar achteren gebogen. Zeer kenmerkend zijn de voorvleugels van wantsen, die gescheiden zijn in twee gebieden: het voorste deel is leerachtig verhoornd, het achterste deel is vliezig en vaak doorzichtig. De achtervleugels zijn altijd vliezig. De vleugels worden in rust plat over elkaar heen gevouwen. Wantsen hebben meestal krachtige looppoten. De voorpoten zijn bij sommige water(roof)wantsen en landroofwantsen (Phymatidae) tot vangpoten gemodificeerd.

Op de Meinweg zijn tot op heden 133 Hemiptera-soorten vastgesteld.

Terug

Hymenoptera - Vliesvleugeligen - SK2008/02 blz 49-51

De vliesvleugeligen vormen samen met de Kevers de grootste insectenordes ter wereld. Beide vleugels zijn vliesvormig, doorzichtig of getekend. Alle vliesvleugeligen hebben bijtende monddelen, maar de volwassen dieren voeden zich met vloeibaar voedsel, dat met de tongvormige maxillen wordt opgelikt. Nectar is een favoriete energiebron. De vrouwtjes zijn gekenmerkt door een korte, middelgrote of zeer lange, naaldvormige legboor. Er worden 2 onderordes onderscheiden: de blad-, hout- en halmwespen en verwanten (Symphyta) zonder ingesnoerd achterlijf of wespentailleHoornaar (Vespa crabro). Meinweg 2008. De soort komt ook op licht en wordt regelmatig aangetroffen in de vlindervallen van Stichting Koekeloere. Foto E. van Asseldonk en de sluipwespen, wespen, bijen en mieren (Apocrita) met een duidelijk ingesnoerd achterlijf tussen het eerste en tweede segment.

Op de Meinweg zijn tot op heden 45 soorten vliesvleugeligen vastgesteld. Een bekende soort is de Hoornaar. De Hoornaar behoort tot de groep van Plooiveugelwespen waartoe ook de Gewone wesp behoort. De wordt veelvuldig op de Meinweg aangetroffen.

Terug

Lepidoptera  - Vlinders en motten - SK2008/02 blz 51-100

Vlinders en motten vormen een grote en zeer soortenrijke orde van insecten met meestal brede vliezige vleugels die zijn bedekt met een dicht schubbenkleed. In Nederland komen ongeveer 2300 soorten vlinders voor, waarvan het overgrote deel behoort tot de familie van de nachtvlinders.

Op de Meinweg kunnen 30 soorten dagvlinders aantreffen. Dagvlinders kunnen overal op de Meinweg worden aangetroffen. De vlinders hebben echter een voorkeur voor bloemrijke ruigte en graslanden met veel (nectar)bloemen. De meeste soorten dagvlinders zijn actief als de buitentemperatuur tenminste tussen de 17 en 20° C is. Bovendien houden dagvlinders niet van wind.

In de groep van nachtvlinders wordt onderscheid gemaakt tussen macro (800 soorten) en micro-nachtvlinders (1400 soorte). Een strikt onderscheid is niet te maken maar globaal wordt gesteld dat micro-nachtvlinders een voorvleugellengte hebben die kleiner is dan 10 mm. Voor de Meinweg worden 545 soorten macro-nachtvlinders en 661 soorten micro-nachtvlinders beschreven!

Terug

Odonata - Libellen - SK2008/02 blz 100-103

Met 48 soorten is de Meinweg het soortenrijkste libellengebied van Limburg. Ook hier vormt de afwisseling van beekdalen, vennen en aan de rand iets voedselrijkere plassen een waar eldorado voor libellen. Gewone bronlibel, Meinweg, Foto Jan Boeren

De belangrijkste soort voor de Meinweg is de Bronlibel, die populaties heeft langs de Boschbeek en de Rode Beek. Langs deze beken zijn ook Bosbeekjuffers te vinden.

De vennen vormen het leefgebied van bijna alle Nederlandse heidelibellen maar ook Maanwaterjuffer is hier nog te vinden. Aan de rand van de Meinweg komt de Gevlekte glanslibel in de door kwel gevoede Venbeek voor. Hier wordt de laatste jaren ook de Bronlibel aangetroffen. De visvijver die tegen de Meinweg aan ligt is een van de beste plekken voor Kanaaljuffer. 

 

 Terug

Orthoptera - Sprinkhanen - SK2008/ blz 103-104

De sprinkhanen en krekels vormen de soortenrijkste groep binnen de rechtvleugelige insecten. Bij alle soorten zijn de achterpoten uitgegroeid tot springpoten.
Orthoptera zijn meestal gevleugeld. In de Orthoptera worden er twee grote onderordes onderscheiden: de "langsprieten" (onderorde Ensifera) met onder andere de sabelsprinkhanen en de krekels en de "kortsprieten" (onderorde Caelifera) waar de veldsprinkhanen en verwanten toe behoren.

In veel van de groepen sprinkhanen en krekels produceren de mannetjes geluid, in een aantal gevallen kunnen de vrouwtjes het ook. Dit geluid is gewoonlijk soortsspecifiek. De Meinweg is een van de rijkste sprinkhanengebieden van Limburg, vanwege de afwisseling van droge warme heidevelden, kruidenrijke graslanden, beekdalen en moerassen. Ieder biotoop herbergt eigen specifieke soorten.Moerassprinkhaan Meinweg. Foto Jan Boeren

De belangrijkste soort van moerassen en vochtige graslanden is de Moerassprinkhaan. De Moerassprinkhaan is onze grootste veldsprinkhaan. De vrouwtjes kunnen wel een lengte van bijna 5 cm bereiken. De mannetjes zijn een stuk kleiner. De Moerassprinkhaan is te herkennen aan de grootte, zijn lange vleugels en aan de rode dijen. Op de Meinweg zijn populaties aanwezig rondom het Melickerven en bij Vlodrop Station. De laatste jaren breidt deze soort zich op de Meinweg uit.

Op de Meinweg zijn tot op heden 25 soorten Sprinkhanen en Krekels waargenomen.

Terug

Thysanoptera - Tripsen - SK2008/02 blz 104-106

Tripsen zijn zeer kleine tot kleine, donker gekleurde, insecten met een slank en afgeplat lichaam en gewoonlijk twee paar smalle vleugels met lange franje. De lichaamslengte varieert van 0,5 tot 12 mm, maar de meeste soorten worden 4-5 mm lang. Tripsen zijn zo klein dat ze bijna door niemand worden opgemerkt, tenzij er eentje bij een wandel- of fiets tocht in je oog komt. In de zomermaanden is er echter bijna geen bloem te vinden zonder tripsen. Vooral in paardenbloemen of madeliefjes kunnen er wel enige tientallen voorkomen. Bij warm, onweersachtig weer kunnen zij bij duizenden gaan vliegen en staan daarom bekend als 'onweersbeestjes'. Sommige tripsen prikken de mens voelbaar in de huid zonder enige letselschade of napijn.

Op de Meinweg zijn 36 soorten tripsen vastgesteld.

Terug

Planipennia - Gaasvliegen of Netvleugeligen - SK2008/02 blz 104

De Planipennia vormen de soortenrijkste groep binnen de superorde Neuropteroida (netvleugeligen) met de meest diverse taxa, zoals gaasvliegen, watergaasvliegen, mierenleeuwen en vlinderhaften.
In de eerste soortenlijst van de Meinweg komt slechts één soort voor, de Mierenleeuw Myrmeleon formicarius. Nader onderzoek, zowel literatuur als veldonderzoek, zal moeten uitwijzen of dit aantal klopt. Heeft u informatie over deze groep, laat het ons dan weten.

Terug

Mecoptera - Schorpioenvliegen- SK2008/02 blz 100

Schorpioenvliegen en verwanten (orde Mecoptera) hebben een snuitvormige verlenging van de kop met aan het uiteinde bijtende of stiletvormige monddelen. De mannetjes van de echte schorpioenvliegen (familie Panorpidae) hebben een omhoog gerichte achterlijfspunt met een opvallend tangvormig copulatie-orgaan. De voor- en achtervleugels zijn opvallend gelijk in vorm en grootte. In de soortenlijst van de Meinweg wordt slechts één soort beschreven, Schorpioenvlieg Panorpa communis.Schorpioenvlieg spec. Meinweg 2008. Foto E.van Asseldonk

 

 

Terug